De 4%-regel zegt dat je in het eerste jaar van je pensioen 4% van je vermogen kunt opnemen, dat bedrag daarna jaarlijks met de inflatie mag verhogen, en dat je portefeuille dat dertig jaar volhoudt.
Drie dingen aan die zin worden stelselmatig verkeerd gelezen: het gaat om 4% van je startkapitaal en niet van je saldo, de regel is gemaakt voor dertig jaar en niet voor altijd, en 4% is een ondergrens die het slechtste historische scenario moest overleven, geen gemiddelde.
Wat zegt de 4%-regel precies?
De volledige formulering, zoals hij bedoeld is:
- Neem in jaar één 4% van je portefeuille op. Bij €1.000.000 is dat €40.000.
- Verhoog dat bedrag elk volgend jaar met de inflatie. Bij 3% inflatie neem je in jaar twee €41.200 op, ongeacht wat je portefeuille heeft gedaan.
- Herhaal dertig jaar.
Punt twee is waar het misgaat. De meeste mensen denken dat je jaarlijks 4% van je actuele saldo opneemt. Dat is een heel andere strategie met een heel ander risicoprofiel, en verderop staat wat het verschil betekent.
Waar de regel vandaan komt
In 1994 publiceerde de Amerikaanse financieel adviseur William Bengen een onderzoek waarin hij elk mogelijk startjaar in de Amerikaanse geschiedenis naliep en keek welk onttrekkingspercentage dertig jaar overleefde: ook als je pech had en begon vlak voor een beurscrash. Zijn antwoord was ongeveer 4%, bij een portefeuille van ruwweg de helft tot driekwart aandelen.
In 1998 herhaalden drie hoogleraren van Trinity University die exercitie breder, over meer portefeuillesamenstellingen en meer horizonten. Dat onderzoek, sindsdien bekend als de Trinity-studie, vond bij 4% over dertig jaar slaagpercentages van ruwweg 95% in de Amerikaanse historische data.
Uit die 4% volgt de vuistregel van vijfentwintig keer je jaaruitgaven, want 1 gedeeld door 0,04 is 25.
Twee dingen om vast te houden. Het onderzoek gebruikt Amerikaanse aandelen- en obligatiereeksen uit een eeuw waarin de VS de best presterende grote aandelenmarkt ter wereld was. En het kijkt naar dertig jaar, wat past bij iemand die op zijn vijfenzestigste stopt en niet bij iemand die op zijn vijftigste stopt.
De drie dingen die de meeste mensen fout hebben
Het is 4% van je startkapitaal
Bij de regel zoals bedoeld ligt je inkomen vast in koopkracht. Zakt je portefeuille met 30%, dan neem je nog steeds hetzelfde bedrag op, en dan is dat opeens 5,7% van wat er nog staat. Precies daar zit het risico.
Neem je in plaats daarvan elk jaar 4% van je actuele saldo, dan kun je definitief niet failliet gaan, want 4% van iets is nooit alles. Maar dan beweegt je inkomen mee met de beurs, en dat kan hard gaan.
Hij is gemaakt voor dertig jaar
Voor iemand die op zijn vijfenzestigste stopt, is dertig jaar een redelijke aanname. Voor iemand die op zijn vijftigste stopt en negentig wordt, is het veertig jaar. Voor wie op zijn vijfenveertigste stopt, vijfenveertig.
Dat verschil is niet klein. Kijk naar het percentage dat je bij een vast reëel rendement kunt onttrekken zonder je kapitaal op te maken:
| Horizon | Bij 3% reëel | Bij 4% reëel | Bij 5% reëel |
|---|---|---|---|
| 20 jaar | 6,72% | 7,36% | 8,02% |
| 30 jaar | 5,10% | 5,78% | 6,51% |
| 40 jaar | 4,33% | 5,05% | 5,83% |
| 50 jaar | 3,89% | 4,66% | 5,48% |
| 60 jaar | 3,61% | 4,42% | 5,28% |
Bij een oneindige horizon nadert het percentage precies je reële rendement: dan leef je van het rendement en blijft het kapitaal staan.
Het is een ondergrens, geen gemiddelde
Kijk naar de tabel hierboven: bij 4% reëel rendement over dertig jaar zou je 5,78% kunnen opnemen. De regel zegt 4%.
Dat gat van bijna twee procentpunt is geen slordigheid. Het is de prijs van onzekerheid. De 4% is niet het antwoord bij gemiddelde rendementen: het is het antwoord dat óók overleefde als je toevallig begon in 1929 of 1966. Wie in een gemiddeld scenario stopt met 4% opnemen, sterft met een aanzienlijk groter vermogen dan waarmee hij begon.
Wat volgorderisico is, en waarom het alles bepaalt
Dit is het mechanisme achter die twee procentpunt, en het is met één voorbeeld te laten zien.
Neem tien jaar rendementen: drie slechte jaren (−20%, −10%, −5%) en zeven jaar van +15%. Over die tien jaar samen levert dat +81,9% op, ongeacht de volgorde.
Zonder onttrekkingen maakt de volgorde inderdaad niets uit:
| Volgorde | Eindkapitaal |
|---|---|
| Slechte jaren eerst | €1.819.454 |
| Slechte jaren laatst | €1.819.454 |
Exact gelijk. Vermenigvuldigen is commutatief.
Mét onttrekkingen van €40.000 per jaar verandert dat volledig:
| Volgorde | Eindkapitaal na 10 jaar |
|---|---|
| Slechte jaren eerst | €1.045.549 |
| Slechte jaren laatst | €1.383.088 |
€337.539 verschil, bij precies dezelfde rendementen en precies dezelfde onttrekkingen. Alleen de volgorde verschilt.
De reden is simpel: als je onttrekt tijdens een daling, verkoop je een groter deel van je bezit om aan hetzelfde bedrag te komen. Die stukken zijn weg en profiteren niet mee van het herstel. Het verlies wordt permanent gemaakt door de onttrekking.
Daarom is de eerste tien jaar na je stopdatum de gevaarlijkste periode van je hele plan. Een klap in jaar één weegt vele malen zwaarder dan dezelfde klap in jaar twintig.
Vast bedrag of vast percentage?
Terug naar de twee lezingen van de regel, toegepast op diezelfde slechte reeks. Startkapitaal €1.000.000.
| Jaar | Vast bedrag: kapitaal | Inkomen | 4% van saldo: kapitaal | Inkomen |
|---|---|---|---|---|
| 1 | €768.000 | €40.000 | €768.000 | €40.000 |
| 2 | €655.200 | €40.000 | €663.552 | €30.720 |
| 3 | €584.440 | €40.000 | €605.159 | €26.542 |
| 5 | €674.022 | €40.000 | €737.578 | €26.724 |
| 10 | €1.045.549 | €40.000 | €1.209.632 | €43.827 |
Twee heel verschillende ervaringen.
Bij een vast bedrag houd je je levensstijl, maar teer je hard in tijdens de slechte jaren. Na tien jaar sta je €164.083 lager dan de andere aanpak.
Bij een vast percentage blijft je kapitaal gezonder, maar zakt je inkomen in jaar drie naar €26.542: een derde minder dan waar je op rekende. Dat is geen theoretisch ongemak; dat is de vraag of je je huur nog kunt betalen.
De praktijk zit er meestal tussenin. Varianten met een boven- en ondergrens laten je inkomen meebewegen met de markt, maar begrenzen hoeveel het per jaar mag dalen. Dat vraagt meer aandacht dan een vuistregel en levert een robuuster plan op.
Wat een procentpunt met je doel doet
Het onttrekkingspercentage dat je kiest, bepaalt rechtstreeks hoeveel vermogen je nodig hebt. Bij €40.000 aan jaaruitgaven:
| Onttrekkingspercentage | Benodigd vermogen | Factor |
|---|---|---|
| 3,0% | €1.333.333 | 33,3× |
| 3,5% | €1.142.857 | 28,6× |
| 4,0% | €1.000.000 | 25,0× |
| 4,5% | €888.889 | 22,2× |
| 5,0% | €800.000 | 20,0× |
Van 4% naar 3,5% gaan kost je €142.857 extra doelvermogen: bij veel mensen enkele jaren extra werken. Van 4% naar 4,5% scheelt evenveel de andere kant op, met meer risico.
Dat is geen rekenkundige keuze maar een risicokeuze, en het helpt om hem als zodanig te benoemen in plaats van een percentage over te nemen omdat het in een blog stond.
Werkt de 4%-regel in Nederland?
Deels, en op een andere manier dan meestal gedacht.
Als doelberekening werkt hij niet. Vijfentwintig keer je uitgaven gaat ervan uit dat je vermogen je uitgaven eeuwig moet dragen. In Nederland komen AOW en pensioen op enig moment binnen, dus dat is niet zo. Hoe die berekening dan wel gaat, staat in het artikel over je FIRE-getal: voor iemand die op zijn vijftigste stopt met €40.000 uitgaven ligt het doel eerder rond €615.000 dan rond een miljoen.
Als onttrekkingspercentage werkt hij wel, met drie kanttekeningen.
De regel is gebaseerd op Amerikaanse historische data uit de best presterende grote aandelenmarkt van de twintigste eeuw. Onderzoek dat dezelfde exercitie op andere landen loslaat, komt op lagere veilige percentages uit: in sommige markten aanzienlijk lager.
De regel kent geen vermogensbelasting. In Nederland betaal je jaarlijks over vermogen boven een vrijstelling, en dat drukt je netto rendement structureel. Dat hoort in je reële rendementsaanname verwerkt te zitten.
En de regel gaat over dertig jaar. Wie op zijn vijftigste stopt, moet met veertig rekenen.
Welk percentage dan wel?
Er is geen getal dat voor iedereen klopt, maar er is wel een manier om erover na te denken.
Kies je percentage op basis van je horizon, niet op basis van wat gebruikelijk is. De tabel eerder in dit artikel geeft de bovengrens bij een vast rendement; trek daar iets vanaf voor het volgorderisico en je zit in een verdedigbaar bereik.
Wees conservatiever in de brugjaren. Dat is precies de periode waarin een klap het meeste schade doet, én de periode waarin je nog geen AOW hebt om op terug te vallen. Wat je na je AOW-datum onttrekt is een veel kleiner bedrag met een veel kortere resterende horizon.
Houd flexibiliteit achter de hand. Het verschil tussen een plan dat het redt en een plan dat het niet redt, is vaak of je in een slecht jaar tijdelijk €4.000 minder kunt uitgeven. Wie dat kan, mag een hoger percentage aan. Wie dat niet kan, moet lager gaan zitten.
Wat dit betekent voor je brugfase
De Nederlandse situatie verandert de vraag fundamenteel, en in je voordeel.
Je doet in de brugjaren namelijk geen eeuwigdurende onttrekking. Je doet een geplande opname met een einddatum. Je weet precies hoeveel jaar het moet duren en wat er daarna binnenkomt. Dat is een makkelijker probleem dan wat de 4%-regel oplost.
Praktisch betekent dat je in de brugfase geen percentage hoeft te kiezen. Je rekent gewoon uit hoeveel je nodig hebt voor dat aantal jaren, en dat is de annuïteitsberekening uit het FIRE-getal-artikel.
Het percentage speelt pas na je AOW-datum, over het kleinere restbedrag dat het gat moet dekken, en dan met een kortere resterende horizon, waardoor je een hoger percentage aankunt dan 4%.
Hoe Gylder hierbij past
De 4%-regel gaat over onttrekken, en Gylder is een meetinstrument, geen onttrekkingsplan. Wat het wel doet is de twee cijfers leveren waar elke onttrekkingsstrategie op rust.
Je werkelijke vermogen, doorlopend bijgewerkt over al je rekeningen, zodat je onttrekkingspercentage rekent over een cijfer dat klopt in plaats van over een schatting van vorig jaar.
Je werkelijke rendement, geldgewogen berekend met je stortingen en onttrekkingen op de juiste datum. Zodra je begint te onttrekken, is dat het enige cijfer dat nog iets zegt: een tijdgewogen rendement vertelt je dan niets over of je plan houdbaar is.
En omdat je vermogen dagelijks wordt vastgelegd, zie je een slechte reeks aankomen op het moment dat hij begint, in plaats van bij je jaarlijkse spreadsheetsessie.
Wat dit niet vertelt
Het verleden is geen belofte. Elke veilige-onttrekkingsstudie kijkt achteruit. Een percentage dat elke historische periode overleefde, kan de volgende niet overleven.
De regel kent je uitgaven niet. Hij gaat uit van een vast bedrag dat met de inflatie meebeweegt. Werkelijke uitgaven schommelen, en die schommeling is meestal je grootste veiligheidsklep.
Hij kent je leven niet. Zorgkosten, een verhuizing, kinderen die studeren, een erfenis. De regel rekent stoïcijns door.
En één ding dat er wel in hoort maar buiten dit artikel valt: wat je doet in het jaar dat het misgaat. Een plan dat alleen werkt als je nooit hoeft af te wijken, is geen plan.
Veelgestelde vragen
Is de 4%-regel achterhaald? Niet achterhaald, wel vaak verkeerd toegepast. Als onttrekkingspercentage over dertig jaar in Amerikaanse data is hij goed onderbouwd. Als universeel doelgetal voor een Nederlander die op zijn vijftigste stopt, niet.
Moet ik 3,5% aanhouden in plaats van 4%? Bij een horizon van veertig jaar of meer is dat verdedigbaar. Het kost je wel ruim €140.000 extra doelvermogen bij €40.000 uitgaven, dus weeg het bewust af.
Neem ik 4% van mijn saldo of van mijn startbedrag? De regel zoals onderzocht gaat over je startbedrag, jaarlijks geïndexeerd. Van je saldo opnemen is een andere strategie: je kunt niet failliet, maar je inkomen schommelt fors.
Geldt de regel ook voor mijn brugjaren? Nee, en dat is gunstig. Voor een periode met een bekende einddatum reken je met een annuïteit, niet met een onttrekkingspercentage.
Telt AOW mee in de 4%-berekening? Niet in de regel zelf, wel in je situatie. AOW verlaagt het bedrag dat uit je portefeuille moet komen, en daarmee het vermogen dat je nodig hebt.