Koopkracht en reëel rendement berekenen, en de rekenfout die bijna iedereen maakt

Nominaal rendement min inflatie is niet je reële rendement, ook al lijkt het zo. Het verschil is klein per jaar en loopt over dertig jaar op tot tienduizenden euro's.

Gylder Team6 min lezenLees met AI

Nominaal rendement min inflatie is niet je reële rendement. Het lijkt zo, en het scheelt genoeg om over dertig jaar tienduizenden euro's uit te maken.

Bij 7% nominaal rendement en 3% inflatie is de vuistregel 7% − 3% = 4%. De juiste uitkomst is 3,88%. Dat verschil van 0,12 procentpunt lijkt verwaarloosbaar, tot je het samenstelt over drie decennia: op een ton verschilt het dan €10.725.

Dit artikel legt uit wat koopkracht is, hoe inflatie hem uitholt, en welke formule je werkelijk nodig hebt. Elke tabel in deze reeks met "reëel rendement" erin gebruikt de correcte versie.

Wat koopkracht is

Koopkracht is wat je met een bedrag kunt kopen, niet het bedrag zelf. €1.000 blijft €1.000 op je rekening, maar wat je ervoor kunt kopen daalt elk jaar dat de prijzen stijgen.

Wat inflatie doet met €1.000, bij verschillende tempo's:

NaBij 2% inflatieBij 3%Bij 4%
5 jaar€906€863€822
10 jaar€820€744€676
20 jaar€673€554€456
30 jaar€552€412€308

Bij 4% inflatie is €1.000 na dertig jaar nog maar €308 waard in koopkracht van vandaag. Het getal op je rekeningafschrift verandert niet, en toch koop je er twee derde minder mee.

Op een salaris werkt het net zo. €45.000 nu is bij 3% inflatie over twintig jaar nog maar €24.915 waard in koopkracht van vandaag. Dat is de reden dat een salaris dat nominaal gelijk blijft, in de praktijk een verkapte achteruitgang is.

De formule die bijna iedereen fout gebruikt

Hier zit de kern van dit artikel.

De veelgebruikte vuistregel: Reëel rendement ≈ nominaal rendement − inflatie

De correcte formule: Reëel rendement = (1 + nominaal) / (1 + inflatie) − 1

Het verschil lijkt klein:

NominaalInflatieVuistregelCorrecte formule
6%2%4,00%3,92%
7%2%5,00%4,90%
6%3%3,00%2,91%
7%3%4,00%3,88%

De vuistregel overschat je reële rendement altijd een beetje. Bij lage percentages is het verschil verwaarloosbaar. Bij hogere nominale rendementen en langere periodes stapelt het op.

Waarom dat verschil ertoe doet

Samengesteld over dertig jaar op €100.000, bij 7% nominaal en 3% inflatie:

MethodeUitkomst na 30 jaar
Vuistregel (4,00% reëel)€324.340
Correcte formule (3,88% reëel)€313.615
Verschil€10.725

Dat verschil is geen fout in je belegging. Het is een fout in je rekenmethode, en hij werkt in je nadeel: je denkt dat je meer hebt dan je werkelijk hebt.

Voor de meeste doelen op korte termijn maakt dit weinig uit. Voor een doel op dertig jaar, zoals financiële onafhankelijkheid, is het precies het soort kleine, structurele afwijking die deze hele reeks probeert te vermijden.

Waarom elke tabel in deze reeks "4% reëel" gebruikt

Nu wordt duidelijk waarom. Een doelbedrag dat is berekend met nominaal rendement zonder inflatie te verrekenen, is in koopkracht van vandaag te laag, en dat merk je pas over twintig of dertig jaar, als bijsturen niet meer kan.

Reken je met reëel rendement, dan reken je automatisch in koopkracht van vandaag. Het doelbedrag dat daaruit komt, is een bedrag dat je vandaag zou kunnen navoelen, ook al bereik je het pas over decennia.

Dat is de reden dat elk doelbedrag in deze reeks, van je FIRE-getal tot je pensioengat als zelfstandige, met reëel rendement is doorgerekend.

Hoe je je eigen reële rendement berekent

Drie stappen.

Stap 1: bepaal je nominale rendement. Dat is wat je fondsen, spaarrekening of portefeuille daadwerkelijk opleverden, vóór correctie voor inflatie.

Stap 2: bepaal de inflatie over dezelfde periode. Het CBS publiceert dit maandelijks als consumentenprijsindex.

Stap 3: pas de formule toe.

(1 + nominaal) / (1 + inflatie) − 1

Voorbeeld: je portefeuille deed 8% dit jaar, de inflatie was 3,5%.

(1,08 / 1,035) − 1 = 4,35% reëel

Niet 4,50%, wat de vuistregel zou geven. Bij één jaar is het verschil onbeduidend. Bij een reeks van jaren, samengesteld, telt het op.

Wat vroeger kostte, vandaag

Een andere manier om hetzelfde mechanisme te voelen: teruggerekend in plaats van vooruit.

BedragVan geledenWaarde vandaag
€10010 jaar€128
€10020 jaar€155
€10030 jaar€187

Wat tien jaar geleden €100 kostte, kost nu ongeveer €128. Dat is dezelfde inflatie, alleen andersom bekeken: niet wat je geld nu waard is over dertig jaar, maar wat vroeger geld nu waard zou moeten zijn.

Dat is meteen een handige controle: kijk naar wat een boodschappenkarretje, een huur of een salaris tien jaar geleden kostte, en vergelijk dat met een factor van ongeveer 1,28. Klopt dat ongeveer met je eigen ervaring, dan reken je met een realistische inflatieaanname.

Wat dit betekent voor je aannames

Drie praktische lessen.

Reken altijd in reëel rendement voor doelen op lange termijn. Nominaal rendement voelt indrukwekkender en zegt minder over wat je werkelijk kunt kopen.

Gebruik de correcte formule, niet de vuistregel. Het verschil is klein per jaar en groeit met de looptijd en met hogere rendementen.

Wees voorzichtig met je inflatieaanname. De historische gemiddeldes in Nederland liggen rond de 2 tot 2,5% over lange periodes, maar de laatste jaren lagen er stukken boven. Reken je doel door met zowel 2% als 3,5% inflatie om te zien hoe gevoelig je uitkomst is.

Hoe Gylder hierbij past

Elk doelbedrag dat je met de brugcalculator berekent, gebruikt een reëel rendement, niet een nominaal percentage waar je zelf de inflatie van moet aftrekken. Dat voorkomt precies de fout uit dit artikel.

Je geldgewogen rendement, berekend op je werkelijke stortingen en onttrekkingen, is een nominaal cijfer omdat het gaat om wat je portefeuille daadwerkelijk deed. Zet je dat af tegen je doelbedrag, dan reken je bewust met beide begrippen in plaats van ze door elkaar te halen, en dat is precies waar de vuistregelfout meestal ontstaat.

Wat dit niet vertelt

Toekomstige inflatie is onzeker. De historische cijfers in dit artikel zijn gemiddeldes over lange periodes met aanzienlijke schommelingen ertussen.

Persoonlijke inflatie wijkt af van de CBS-index. De index meet een gemiddeld consumptiepatroon. Geef je veel uit aan zorg of huur, dan kan je persoonlijke inflatie hoger liggen dan het landelijke cijfer.

Dit is geen advies. Welke inflatieaanname je gebruikt voor je eigen planning is een inschatting, geen zekerheid.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken ik mijn reële rendement? (1 + nominaal rendement) gedeeld door (1 + inflatie), min 1. Niet nominaal rendement min inflatie; dat is een vuistregel die je reële rendement altijd iets overschat.

Wat is het verschil tussen de vuistregel en de juiste formule? Bij 7% nominaal en 3% inflatie geeft de vuistregel 4,00%, de juiste formule 3,88%. Klein per jaar, maar over dertig jaar op een ton scheelt het ruim tienduizend euro.

Wat is koopkracht? Wat je met een bedrag kunt kopen, in plaats van het bedrag zelf. Door inflatie daalt koopkracht ook als het bedrag op je rekening gelijk blijft of stijgt.

Waarom rekent Gylder met reëel rendement? Omdat een doelbedrag in nominale euro's over dertig jaar niets zegt over wat je er dan mee kunt kopen. Reëel rendement houdt het doel in koopkracht van vandaag.

Hoeveel is de inflatie in Nederland gemiddeld? Over lange periodes ongeveer 2 tot 2,5% per jaar, met de laatste jaren pieken daarboven. Het CBS publiceert het actuele cijfer maandelijks.

Gerelateerde Artikelen